Omschrijving:
Twentse wandelingen
Tochten langs steden en dorpen in 19de eeuws Twente
J. Craandijk, lithos P. Schipperus
Uitg. Stichting Matrijs, softcover, geillustreerd. Heruitgave van oorspr. Wandelingen in Nederland deel II, 1876.
INLEIDING
'De meeste openbare wegen zijn in den winter soms in eenen slegten staat, omdat dezelve veel al te laat in her jaar gemaakt worden, de spetie die men er dan opbrengt, wordt door de herfstregens doornat en door de vragt- en andere wagens aan modder gereden, zoo dat dezelve het geheele winter door een modder blijft, waarin men soms het gevaar loopt om erin te blijven steken, of om in de uitgeredene sporen om te slaan en armen en benen te breken, de wegen naar Ootmars en Vriezenveen zijn wel het ergste'.
Bovenstaand citaat over de toestand van de Twentse wegen in her begin van de vorige eeuw zal onze voorouders niet hebben uitgenodigd om een reis en zeker geen plezierreis naar Twente te maken. Wie zo'n tocht had ondernomen had alle aanleiding om zijn ervaringen op schrift te stellen. Ook was er veelal wel een uitgever te vinden: gezien her grote aantal reisbeschrijvingen dat werd uitgegeven bestond er kennelijk steeds belangstelling bij hen die nooit in de gelegenheid waren om zelf op reis te gaan. Maar zowel voor de gedrukte als ook voor ongedrukte reisbeschrijvingen geldt dat er slechts enkele zijn die betrekking hebben op Twente, en Craandijks werk is hiervan her meest uitgebreid.
In de loop van de eeuw werd Twente ontsloten. In jaren '20 en '30 was een aantal straatwegen aangelegd ten behoeve van het internationaal verkeer. De grootste stap voorwaarts was de opening van de spoorlijnen Almelo-Hengelo-Oldenzaal-Salzbergen in 1865 en Zutphen-Hengelo-Enschede een jaar later. De aanleg van deze spoorlijnen maakte her mogelijk om grondstoffen voor de industrie en steenkolen voor de stoommachines aan te voeren. Ze vormden dlan ook een zeer belangrijke impuls voor de ontwikkeling van de Twentse textielindustrie.
Nog geen tien jaar later drukte Craandijk de gevolgen van de aanleg van het spoor voor Twente als volgt uit: 'In menig opzigt een nieuw Twenthe. In menig opzigt ook het oude. Want dit is in Twenthe eigenaardig, de vereeniging van nieuw en oud. Hier vindt gij bij elken voetstap tevens elkander herinneringen, die eeuwen heugen, en denkbeelden, die in de laatste jaren tot rijpheid kwamen; zeden en gewoonten, door tal van menschengeslachten overgeleverd van vader op zoon, en de gebruiken van den tegenwoordigen tijd, de overoude hoeve, die sints duizend jaren onveranderd bleef, en de stoomfabriek, waarin haast ieder jaar wijziging en verbetering brengt...'
De schrijver van dit citaat, Jacobus Craandijk, werd op 7 september 1834 te Amsterdam geboren als vijfde kind van de houthandelaar en reder Pieter Craandijk en Maria van Coppenaal. Op zes-jarige leeftijd verloor hij zijn vader; zijn moeder hertrouwde in 1846 met de commies bij Buitenlandse zaken Wouter Cool. Het gezin verhuisde zodoende naar de Hofstad. In Den Haag
|