Omschrijving:
Taal en Volk van Twente
Bezoen H.L.
Uitg. Van Gorcum & comp, hardcover, geillustreerd
Waarin verschenen hoofdstukken over de gewestelijke taal van boeren en burgers zijn vervat, de doopceel wordt gelicht van vele oude woorden en verdere eigenaardigheden zijn beschreven van de bewoners alsmede hun bedrijf en hun dialecten.
VOORBERICHT
Toen ik in 1946 van Sumatra naar Java terugkeerde om mij na vier jaar met de mijnen te herenigen, trof ik onder de schamele restanten onzer eigendommen een kistje met papieren aan, dat mijn vrouw al die tijd in de concentratiekampen had weten te onttrekken aan het speurziek oog der Japannezen en dat ook het handschrift van het boek bevatte dat de lezer nu voor zich heeft. Het weerzien daarvan gaf mij aanvankelijk weinig voldoening; ik verwonderde mij over de vlijt die nodig was geweest om die bladen te beschrijven en herinnerde mij het kortstondige maar hevige heimwee dat ons in en na de Meimaand van 1940 beheerste.
Toen de vrouwen van Batavia zowaar een tentoonstelling van Nederlands yolksleven schiepen, die zonder in archaisme te vervallen de aanhankelijkheid jegens het moederland en Europa op een liefelijke wijze verbeeldde. Toen wij, verloren kinderen, steeds meer in het nauw gedreven werden en ons des rniddags in vrijwilligerscorpsen oefenden en ik in de koele avonduren van Buitenzorg dit boek schreef omdat ik het niet laten kon. Omdat mij — onder de indruk van de onzekerheid, tweeslachtigheid in de gewestelijke levensstij1 — telkens weer dat bevolkingsdeel der buitengewesten voor de geest stond, dat de historisch-culturele positie van het landschap weinig kent.
Tot de velen daarvan behoren allerminst de Heren A. J. BLIJDENSTEIN, A. H. VAN HEM, G. J. VAN HEM( JR., J. H. VAN REEK, J. SCHOLTEN, J. F. SCHOLTEN en L. A. STROINK te Enschede en toch is het hun dat dit geschrift wordt opgedragen als dankbetuiging voor vroegere hulp en belangstelling.
Dat ik in de nieuwe, na 1940 verschenen litteratuur over het Saksen-vraagstuk geen aanleiding heb gevonden om de eerste bladzij den van dit boek te herschrijven zal men mij, hoop ik, voorlopig wel ten goede willen houden.
Koevorden H. L. BEZOEN
|