Omschrijving:
Huttenkloas
Jhr. F.W. van Coeverden
Uitg. TGU Witkam, softcover
EERSTE HOOFDSTUK
Het erve Ten Dam
Rustig lag daar in de zomer van het jaar 1706 het erve Ten Dam, omringd door zijn wijde grachten, in de zon. Dit grote Twentse boerenhuis was, grote uitzondering in die dagen, gedeeltelijk van steen opgetrokken. Het werd geflankeerd door een flinke schuur, een bakspieker en 'n paar hoge zaad- en hooibergen. Een pleintje, waar alleen de zuidenwind vrije toegang had, was aan de oostzijde beschermd door het bakspieker. In de moestuin, aan de voorkant van het huis, groeiden bloemen en kweekte moeder Ten Dam allerlei groenten. Ook de nodige appel-, kerse- en perenbomen ontbraken niet, terwijl de lindeboom bij de welput 's zomers voor een schaduwrijk plekje zorgde. In de gaarden aan de westzijde stond het iemenschoer.
Reeds vele eeuwen lang lag de hof daar. Oude vergeelde papieren in het archief van het bisdom Utrecht spraken reeds in 1326 van een Roelof ten Dam op zijn goed Ten Damme in de boerschop Bentelo. In 1582 was Berend ten Dam na huis en have dapper tegen de Spaanse benden verdedigd te hebben, naar het Munsterland gevlucht. Toen hij twaalf jaar later terugkwam, was zijn land een en al onkruid en groeiden brandnetels en distels op de ruïnes van het huis. Moedig toog hij echter met de zijnen aan de arbeid. Hij zuiverde de akkers van onkruid, bouwde het huis op en schiep zich zo weer een woning en een middel van bestaan.
Nadien teisterden pest, oorlog en hongersnood ons goede, oude Twente en ontvolkten meer dan eens gehele buurtschappen, maar telkens weer gingen de Twentenaren met nieuwe moed en stalen wil aan het werk
|